Koen

“Elke ochtend voel ik me ongemakkelijk als ik die rij mensen passeer, wachtend op een koffie en wat eten”

Koen Strobbe keerde na twintig jaar in het zuiden van Frankrijk met zijn vrouw Ilse en zoon Kwinten terug naar ons land.

Elke ochtend, op weg naar mijn werk, rij ik voorbij een plek waar een rij mensen in de vroege kou geduldig staat te wachten voor een kop warme koffie en wat eten. Ik schreef er al eens over in een vorige column. Met een broodje in de hand sjokken ze weg, ik weet niet waarheen. Tegen de gevel van het pand waar ze wachten, staat een rij zelf in elkaar geknutselde tentjes. Die stonden er ook toen het in februari stenen uit de grond vroor.

Ik rij voorbij en voel medelijden. Wat een uitzichtloos bestaan moet dit zijn. Ze zijn ver van huis, zonder familie, zonder zekerheid. Ik weet niets van hen, realiseer ik me. Niets over hun dromen, hun plannen, hun verleden. Als je het erover hebt met collega’s, haalt er altijd wel iemand de schouders op: ze hebben die keuze toch zelf gemaakt? Sommigen zijn niet op de loop voor oorlog, maar komen simpelweg voor een beter leven. Het land van melk en honing, dachten ze waarschijnlijk. Maar ik zie vooral mensen in te dunne jassen, met een afwezige blik en een papieren beker koffie om zich aan vast te houden.

Vanuit een bevoorrechte positie

Terwijl ik daar zo langsrij in mijn comfortabele auto, vraag ik me af hoe zij mij zien. Mijn nette kleren, mijn werk, het vooruitzicht dat ik straks thuiskom in een warm huis, met een gezin dat me opwacht. Een toekomst. Terwijl zij elke dag overleven, leef ik. Dat moet wrang zijn. Elke ochtend opnieuw voel ik me ongemakkelijk bij mijn eigen ‘bevoorrechte’ positie. Alsof ik, door niets te doen, hun ellende indirect accepteer.

En telkens bekruipt me de drang om íéts te doen. Niet simpelweg geld overmaken aan een goed doel, maar echt iets te betekenen voor deze specifieke mensen, hier, op dit moment. Maar wat? Stoppen en sommigen wat geld geven? Maar wat dan met de rest? Eten brengen? Dat doen anderen al. Hen uitnodigen in mijn huis? Ook niet echt realistisch. En zo rij ik door. Er is altijd wel een reden om niets te doen.

Uiteindelijk kom ik weer tot dezelfde slotsom. Dat ik, alleen, gewoon te ‘klein’ ben voor een oplossing.

Terwijl ik de parkeergarage inrij, overloop ik de meest irreële scenario’s: wat als ik vandaag gewoon niet ga werken, naar de coördinatie van die hulpplek stap en vraag waar ik kan helpen? Ik denk aan m’n werkgever, die het idee waarschijnlijk nobel zou vinden, maar in de praktijk niet blij zou zijn dat het werk blijft liggen. En uiteindelijk kom ik weer tot de slotsom, dat ik, alleen, gewoon te ‘klein’ ben voor een oplossing.

Het is vreemd hoe onverschilligheid zo gemakkelijk wordt. Hoe je na een paar weken bijna went aan het tafereel. De eerste keer dat ik ze zag, schrok ik ervan. Maar nu, na maanden, weet ik precies wie waar staat. De man met de pet, het groepje met de fleecedekentjes, de jongen die altijd in gedachten verzonken lijkt. Ze zijn bijna een vast onderdeel van mijn ochtendroutine geworden.

De dunne lijn tussen geluk en pech

Dat besef maakt me nerveus. Wanneer ben ik gestopt met echt kijken? Misschien is dat de kern van het probleem. We wennen te snel aan wat niet normaal zou moeten zijn. We praten onszelf aan dat we niets kunnen doen, dat het te groot en te ingewikkeld is. Maar als we dat blijven geloven, verandert er nooit iets.

Ik denk eraan hoe we, bijna allemaal, met de nodige dosis tegenslag en in een andere situatie, net zo goed in zo’n rij zouden kunnen staan. Dat geluk en pech soms maar een dun lijntje zijn. Niemand kiest ervoor om in een tentje tegen een gevel te slapen. Niemand groeit op met de droom om in de regen in de rij te staan voor wat koffie en een broodje. En toch gebeurt het.

En dan gebeurt het. Een kleine, nauwelijks waarneembare glimlach. Misschien is dat niets. Misschien is het alles.

Misschien is dit ook een les in nederigheid. In waardering voor wat we hebben. Dat we niet moeten klagen over files, of over het weer, of over het feit dat de koffie op kantoor niet helemaal naar wens is. Misschien moeten we, en ik hoop dat ik niet té melig begin te klinken, vaker dankbaar zijn.

Vanochtend rij ik er alweer langs. Het regent. In de verte zie ik ze weer staan. Ik stop niet, geef geen geld. Maar ik kijk. Echt. Plots heb ik oogcontact met iemand in de rij en knik hem toe. En dan gebeurt het. Een kleine, nauwelijks waarneembare glimlach. Misschien is dat niets. Misschien is het alles. Maar hé, we moeten ergens beginnen, toch?

Nog meer columns lezen?

Volg ons op FacebookInstagramPinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!

Partner Content

De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."