“Toen Pim op de spoed lag, drong het tot me door dat mijn rol er nu een was langs de zijlijn”
Of je kind nu drie of dertig jaar is, wanneer hij of zij ernstig ziek is, wil je kunnen troosten, helpen en zorgen. Maar als moeder van een volwassen kind moet je die zorg delen met de partner van je kind, ondervond Sandra toen haar zoon Pim ernstig ziek werd.
Moeder langs de zijlijn
Sandra (57): “Ik heb vannacht geen oog dichtgedaan, ik lag de hele tijd te woelen en te piekeren. Rond zes uur ben ik dan maar opgestaan om te ontbijten, maar ik kreeg geen hap door mijn keel en heb prompt mijn koffie omgestoten. Vandaag moet mijn zoon Pim naar het ziekenhuis voor een controlescan. Hopelijk is alles in orde en komt het verlossende telefoontje snel.
Om de tijd te doden, werk ik wat strijk weg terwijl ik naar een herhaling van het laatavondjournaal kijk, al dringt er niets van wat Xavier Taveirne vertelt tot me door. Het is bijna acht uur. Rond deze tijd komen Pim en zijn vriendin Katrijn aan in het ziekenhuis. Hoe zou hij zich voelen? Ongerust, nerveus, vol vertrouwen? Ik stuur een berichtje om hem goeie moed te wensen en om te zeggen dat ik aan hem denk. Anderhalf uur later hou ik het niet meer uit en stuur ik een tweede bericht: ‘Al nieuws?’ De tijd kruipt voorbij en ik kan niet anders dan geduldig afwachten.
Die avond, toen Pim in allerijl op de spoed was opgenomen, drong het meer dan ooit tot me door: Pim is nu een volwassen man van dertig die al jaren samenwoont met zijn vriendin
Mijn gedachten waaieren uit naar iets meer dan een jaar geleden. Pim voelde zich al een paar weken niet zo lekker; hij klaagde over hoofdpijn en misselijkheid. Een bezoek aan de huisarts had niets opgeleverd. Maar op een zondagavond kregen we plots telefoon van Katrijn, de vriendin van Pim. Ze was overstuur, kwam amper uit haar woorden. ‘Er is iets met Pim, we zijn op de spoed, ze zijn hem aan het onderzoeken.’ De hoofdpijn was die dag nog verergerd en Pim was ook heel duizelig geworden. Ineens was hij gevallen en beginnen te schokken met zijn armen en benen. ‘Het was vreselijk om te zien’, huilde Katrijn, die meteen het noodnummer 112 had gebeld.
‘Waarom heb je me niet eerder verwittigd?’ riep ik geschrokken in de telefoon. En: ‘In welk ziekenhuis zijn jullie? Ik kom af!’ Maar volgens Katrijn had dat weinig zin en kon ik beter thuisblijven. Zodra ze meer wist, zou ze me bellen. Dat was de eerste van vele keren dat ik op van de zenuwen naast de telefoon heb zitten wachten, terwijl ik maar één ding wilde: naar mijn kind gaan.
Toen Pim en zijn zus Loes nog klein waren, hield ik soms een hele nacht de wacht als ze ziek waren. Ik kuste hun pijntjes weg, gaf hen een lauw bad als ze koorts hadden, verschoonde hun bedden als ze hadden overgegeven… Die avond, toen Pim in allerijl op de spoed was opgenomen, drong het meer dan ooit tot me door: Pim is nu een volwassen man van dertig die al jaren samenwoont met zijn vriendin. Mijn rol als moeder is er nu een langs de zijlijn.
Ongerust door dokter Google
De volgende dag al wisten we wat er met Pim aan de hand was. Uit de MRI-scan was gebleken dat hij een hersentumor had. Het nieuws kwam aan als een mokerslag. Ik kon alleen maar denken: misschien gaat hij dood. De operatie werd gepland voor tien dagen later. Dat de tumor op een plek zat waar hij weggenomen kon worden, was positief, vertelde de neurochirurg. Bovendien vermoedde hij dat het weefsel goedaardig was, maar dat kon hij pas bevestigen nadat de tumor was onderzocht. Ik vroeg aan Pim hoe hij zich voelde. ‘Als een wandelende tijdbom’, zei hij, met die scheve glimlach van hem die ik zo goed kende. Hij zag scheel van de hoofdpijn en verplaatste zich door het appartement met een plastic teiltje, omdat hij zich zo beroerd voelde en de hele tijd moest overgeven. Hij telde de dagen af tot de operatie. ‘Er is toch geen ontkomen aan’, zei hij berustend.
Zelf heb ik in de dagen tussen de diagnose en de operatie het thema ‘hersentumor’ zo vaak gegoogeld dat ik alleen maar ongeruster werd. Ik sliep nauwelijks, at niet, huilde veel. Frank, mijn man, verwerkte het nieuws op zijn eigen manier. Hij dook in zijn werk om afleiding te hebben en er niet te veel aan te moeten denken. Ik had juist wél veel behoefte om erover te praten, vooral met vriendinnen. Tegenover Pim en Katrijn hield ik me sterk. Ik wilde hen niet belasten met mijn eigen zorgen, en met alle doemscenario’s die door mijn hoofd spookten. Om toch het gevoel te hebben iets te kunnen doen, heb ik toen elke dag eten gemaakt voor Pim en Katrijn, vooral Pims lievelingskost. En ik heb stapels rozijnenwafels gebakken, omdat hij daar altijd dol op was. Al was hij nu te misselijk om er veel van te kunnen eten.
Het leven dat ik hem dertig jaar geleden geschonken had, lag nu in handen van een dokter die ik niet kende, maar in wie Pim gelukkig alle vertrouwen had
Voor Pim naar het ziekenhuis vertrok, zijn Frank en ik afscheid gaan nemen. Ik zie me nog zitten op de zetel bij Pim en Katrijn thuis, mijn tranen verbijtend terwijl ik mijn zieke zoon omhelsde alsof ik hem nooit meer zou loslaten. Het leven dat ik hem dertig jaar geleden geschonken had, lag nu in handen van een dokter die ik niet kende, maar in wie Pim gelukkig alle vertrouwen had. Ik had nog zoveel tegen Pim willen zeggen, maar ik wilde het moment ook niet te zwaar maken. Dus zei ik alleen maar bezwerend: ‘Tot gauw, lieverd.’
Katrijn beloofde om me minutieus op de hoogte te houden. Ik had aangeboden om samen met haar in het ziekenhuis te wachten tijdens de lange bange uren die Pim op de operatietafel zou liggen, maar dat had ze liever niet: ‘Ik zou graag alleen zijn, als je het niet erg vindt.’ Slik. Ik vond dat wél erg natuurlijk. Ik was er zo graag bij geweest als de dokter het resultaat kwam meedelen. Ik wilde zo graag dicht bij mijn kind zijn. Maar ook hier voelde ik die nieuwe rol: langs de zijlijn.
Op de dag van de operatie zijn Loes en ik samen gaan wandelen. Ook zij was te gespannen en te rusteloos om naar haar werk te gaan terwijl haar broer geopereerd werd. Normaal gezien kletsen mijn dochter en ik heel wat af tijdens onze wandelingen, maar die keer waren we stil en in gedachten verzonken. Ik probeerde me niet voor te stellen hoe de dokter nu een luikje zaagde in de schedel van mijn zoon, om langs die opening de tumor te verwijderen, hopelijk in zijn geheel én zonder iets te raken dat voor blijvende letsels kon zorgen. Af en toe klonk er een biepje op mijn telefoon. Soms was het Katrijn die zei dat de operatie nog altijd bezig was en dat het nog wel even kon duren, soms een vriendin die me een hartje stuurde of me sterkte wenste.
Erkenning bij een vriendin
Aan mijn vriendinnen heb ik in die periode enorm veel steun gehad. De meesten van hen hebben kinderen van dezelfde leeftijd als Pim en Loes: twintigers en dertigers die het nest hebben verlaten en stilaan hun eigen leven uitbouwen. Één vriendin kon zich maar al te goed voorstellen wat er door me heen ging, want haar dochter had een ongeval gehad waarna ze diverse ingrepen had moeten ondergaan. Zij herkende wat ik voelde, dat dubbele van aan de ene kant een overweldigende heropflakkering van moedergevoelens, aan de andere kant gevoelens van machteloosheid en controleverlies, soms zelfs van uitsluiting.
Toen onze kinderen nog bij ons woonden, waren wij de directe link tussen ons kind en de dokters. Nu waren we afhankelijk van wat ons kind – of ons schoonkind – ons wilde vertellen, en wanneer. De vragen waren dezelfde (‘Hoe ziek is mijn kind? Wat houdt de operatie precies in? Komt het wel goed?’), maar we hadden geen vanzelfsprekende toegang meer tot de antwoorden. Gelukkig waren de berichten die me na de operatie bereikten uitermate geruststellend en positief. De ingreep was geslaagd, liet Katrijn weten, al had het allemaal langer geduurd dan verwacht. Het belangrijkste: de dokter had de tumor volledig kunnen weghalen.
Voor mij als moeder ging het om een figuurlijke vorm van balanceren: ik voelde me een koorddanseres op een slap touw
Toen ik na de operatie voor het eerst bij Pim op bezoek ging, schrok ik behoorlijk: mijn jongen lag daar zo bleek en zo stil, met een groot verband om zijn hoofd en gekoppeld aan allerlei buisjes en apparatuur. Praten ging moeizaam, ik verstond niet alles wat hij zei, maar hij had opnieuw een fonkel in zijn ogen. Na een week werd bevestigd dat de tumor goedaardig was én dat er geen nabehandeling nodig was; daar hebben we een glas bubbels op gedronken. Pim wist wat hem te wachten stond: hij moest revalideren en misschien leren leven met een aantal beperkingen, maar hij zou vanaf nu met kleine stapjes vooruitgaan. Hij moest rekenen op een herstelperiode van minstens een half jaar.
Als ik de periode die volgde in één woord moet samenvatten, is het: balans. Voor Pim in de letterlijke betekenis van het woord, want zijn revalidatie verliep met vallen en opstaan. Hij bleef veel last hebben van evenwichtsstoornissen en moest opnieuw leren stappen zonder zich ergens aan vast te houden en zonder te tollen op zijn benen. Voor mij als moeder ging het om een figuurlijke vorm van balanceren: ik voelde me een koorddanseres op een slap touw. Voortdurend mijn evenwicht zoekend tussen enerzijds mijn hunker naar betrokkenheid en anderzijds het bewaren van een gepaste afstand, omdat Pim nu volwassen was en een partner had die voor hem zorgde. Het was vaak een strijd tussen mijn hart en mijn verstand. Mijn verstand begreep dat Katrijn en Pim vroegen om voortaan een belletje te geven voor ik langskwam. Maar mijn hart riep verontwaardigd: ‘Moet ik echt een afspraak maken om mijn ziek kind te mogen zien?’ “
Tijd voor Pim, tijd voor mezelf
In de eerste maanden na de operatie leefde ik in een continue staat van waakzaamheid en paraatheid. Klaar om naar Pim te snellen als hij me nodig had. Ik was na mijn vijftigste deeltijds gaan werken in plaats van voltijds, en dat kwam nu goed uit. Zeker toen Katrijn weer aan de slag ging na haar zorgverlof, had ik tijd om met Pim naar het revalidatiecentrum te rijden of hem overdag een paar uurtjes gezelschap te houden.
Ik was dolblij dat ik eindelijk iets kon doen, nadat ik me zo machteloos had gevoeld. Het klinkt gek, maar ik heb zo genoten van die middagen met z’n tweetjes. Pim sliep nog veel, maar als hij wakker was, praatten we over van alles en nog wat. Ook over ‘het leven’: hoe hij zich voelde, waar hij bezorgd over was, hoe hij de toekomst zag en hoe deze ziekte hem veranderd had en bewuster had gemaakt van zijn kwetsbaarheid. Zijn rottumor heb ik oneindig vaak vervloekt, maar de ziekte van Pim heeft ons zeker dichter bij elkaar gebracht.
Ik was zo in beslag genomen door de zorg voor Pim, dat zowel mijn man als dochter op een gegeven moment aan de alarmbel hebben moeten trekken. Loes deed dat tijdens een van onze wandelingen, toen ik weer eens aan het vertellen was over Pim. Ze onderbrak me: ‘Ik zit ook in met Pim, maar mag het ook eens over mij gaan?’ Bij mijn man Frank kwam het hoge woord eruit toen hij een weekendje Amsterdam had geboekt voor mijn verjaardag, maar ik te kennen gaf dat ik liever thuisbleef, bij Pim in de buurt. ‘Toch gaan we,’ klonk het kordaat, ‘want wij hebben nood aan tijd voor ons’. Hij had overschot van gelijk. Het werd een zalig weekendje.
Ik moet erop vertrouwen dat hij voldoende hersteld is en hem voorzichtig loslaten
We zijn nu een jaar verder. Pim gaat regelmatig op controle en zal dat moeten blijven doen, want er blijft een minieme kans dat de tumor terugkomt. Ik wil daar niet te veel over nadenken, en dat lukt meestal wel. Tot hij weer eens naar het ziekenhuis moet voor een controle-MRI, zoals vandaag. Dan voel ik toch opnieuw de wurgende angst en ongerustheid van vlak na de diagnose. Maar gelukkig kregen we ook deze keer weer te horen dat alles helemaal in orde is.
Met Pim gaat het naar omstandigheden goed, al heeft hij nog altijd een balansprobleem. Ook is hij nog altijd veel sneller moe en overprikkeld. Sinds kort is hij opnieuw aan het werk. Deeltijds, in dezelfde firma als vroeger maar in een andere functie, omdat hij het veel rustiger aan moet doen. Hij mag voorlopig nog niet autorijden, dus gaat hij op de fiets naar zijn werk. Dat lijkt te lukken, al hou ik mijn hart vast omdat hij nog altijd zo’n last heeft met zijn evenwicht. Maar hoe graag ik ook zou willen, ik kan hem niet langer aan het handje houden of voor de zekerheid een stukje met hem meefietsen, zoals vroeger naar school. Ik moet erop vertrouwen dat hij voldoende hersteld is en hem voorzichtig loslaten. Opnieuw loslaten.”
Meer openhartige verhalen:
Volg ons op Facebook, Instagram, Pinterest en schrijf je in op onze nieuwsbrief om op de hoogte te blijven van alle nieuwtjes!